Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AF2233

Datum uitspraak2002-11-11
Datum gepubliceerd2002-12-19
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRechtbank Groningen
Zaaknummers/
Statusgepubliceerd
SectorSector kanton


Uitspraak

RECHTBANK GRONINGEN sector kanton, locatie Kantonnummer: CJIB-nummer: Ter openbare terechtzitting van 11 november 2002 is , kantonrechter, bijgestaan door G. Veldstra als griffier, overgegaan tot de mondelinge behandeling van het beroepschrift tegen de beslissing van de officier van justitie, verzonden op 8 augustus 2002 respectievelijk 17 augustus 2002, welk beroepschrift op 4 september 2002 is ingediend door: XXX, hierna te noemen: betrokkene. ____________________________________________________________________ De officier van justitie heeft ter griffie van dit kantongerecht een schriftelijk commentaar d.d. 11 september 2002 ingediend, naar de inhoud waarvan hier wordt verwezen. De gemachtigde van betrokkene is niet ter terechtzitting verschenen, ondanks behoorlijke oproeping. Namens de officier van justitie wordt verklaard: "Ik persisteer bij het schriftelijk commentaar. Ik verzoek de kantonrechter op de voet van artikel 13a WAHV een proceskostenveroordeling ten laste van betrokkene uit te spreken wegens kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht. Alleen al in het arrondissement Groningen hebben wij jaarlijks 10-tallen beroepschriften van xxx uit xx inzake snelheids-overschrijdingen. De bedrijfsjurist van xx maakt daarbij telkens gebruik van een standaard verweer, dat bekend is van internet. Nu in alle zaken met behulp van deze standaardtekst beroep is ingesteld en met name gelet op de inhoud ervan kan het instellen van het beroep nauwelijks anders worden gezien dan dat het de bedoeling is de justitiële keten (politie-OM-kantonrechter-CJIB) zoveel mogelijk te belasten en "zand in de machine te strooien". Het beroepschrift is verder innerlijk tegenstrijdig. Er wordt ontkend dat er gereden is, vervolgens wordt door de bedrijfsjurist (en niet door de bestuurder) verklaard dat hij ter plekke bekend is en nooit te hard rijdt, waarna nog een heel verhaal volgt over ijkrapporten, onjuiste opstellingen, beëdiging van buitengewone opsporingsambtenaars indien de overtreding is geconstateerd door een dergelijke ambtenaar enz. enz.". De kantonrechter heeft vervolgens de behandeling beëindigd en op het beroepschrift op de navolgende gronden een beslissing genomen, welke beslissing is uitgesproken ter openbare terechtzitting. Het beroep is tijdig ingesteld en binnen de in artikel 11 lid 3 van de Wet Administratiefrechtelijke Handhaving Verkeersvoorschriften (WAHV) voorgeschreven termijn is zekerheid gesteld voor de betaling van de door de officier van justitie opgelegde sanctie. Het beroep wordt derhalve ontvankelijk verklaard. De gedraging "overschrijding van de maximumsnelheid binnen de bebouwde kom (gedragsregel) tot en met 10 km. per uur" wordt door betrokkene, aan wie de sanctie als kentekenhouder is opgelegd, betwist. De gemachtigde van betrokkene heeft ontkend dat de betreffende personenauto met kenteken xx op 21 maart 2002 heeft gereden op de N360 te Appingedam en al zou de betreffende auto aldaar wel hebben gereden, dan is daarmee de maximum snelheid niet overtreden. Voorts was volgens hem de meetapparatuur niet op de juiste wijze geijkt en niet volgens de voorschriften gebruikt, ingesteld en uitgelijnd zodat van een betrouwbare meting geen sprake kon zijn. Uit de zich in het dossier bevindende politiefoto's blijkt voldoende dat daarop een personenauto zichtbaar is voorzien van het kenteken van de betreffende personenauto van betrokkene, terwijl op de voorzijde van deze auto duidelijk de bedrijfsnaam "xxx" leesbaar is. Uit het ambtsedige aanvullende proces-verbaal van de Regiopolitie Groningen d.d. 11 juni 2002 blijkt bovendien dat de apparatuur waarmee de bewuste gedraging is vastgelegd, op het moment van de gedraging was geijkt. Naar het oordeel van de kantonrechter is gelet op het voorgaande voldoende komen vast te staan dat betrokkene de gedraging heeft begaan. Het beroep van betrokkene dient dan ook ongegrond te worden verklaard. De kantonrechter acht verder termen aanwezig om xxx op grond van het bepaalde in de artikel 13a WAHV te veroordelen in de kosten. Geoordeeld moet immers worden dat xxx in het onderhavige geval een kennelijk onredelijk gebruik heeft gemaakt van procesrecht. Uit de reeds gemelde politiefoto's en het aanvullend proces-verbaal van de Regiopolitie had het volkomen duidelijk kunnen zijn dat het beroep zinloos was. Nu niettemin een uit de lucht gegrepen, aan het internet ontleend, beroepschrift is ingediend met het kennelijke doel "zand in de machine te strooien" waarop het OM genoodzaakt was te antwoorden, bestaat aanleiding om te komen tot een proceskostenveroordeling, een en ander overeenkomstig de normen van het Besluit proceskosten Bestuursrecht. BESLISSING De kantonrechter: verklaart het beroep omgegrond; veroordeelt xxxx in de kosten van deze procedure, aan de zijde van het OM gevallen en begroot op Euro 161,-, te storten op rekeningnummer 192325825 t.n.v. arrondissement 539 Groningen te Groningen onder vermelding van het betalingskenmerk van het CJIB en het OM nummer. Waarvan dit proces-verbaal. Verzonden op: Indien het beroep niet-ontvankelijk is verklaard of de opgelegde administratieve sanctie meer dan € 70,00 bedraagt, kan tegen de beslissing hoger beroep worden ingesteld door binnen zes weken na de hiervoor vermelde datum van verzending een beroepschrift in te dienen bij de griffie van de sector kanton van de rechtbank, Ossenmarkt 7 te Groningen (correspondentieadres: postbus ). Het hoger beroep wordt behandeld door het gerechtshof te Leeuwarden. Die procedure verloopt geheel schriftelijk, tenzij in het beroepschrift uitdrukkelijk om een zitting wordt gevraagd waarbij u uw standpunt mondeling kunt toelichten.